Geschiedenis

Van Rome naar Den Haag,
19 eeuwen Europese "eenwording"

Paul Morren

Europa, werelddeel van vele nationale staten en internationale oorlogen

In het Romeinse Rijk (3de eeuw v.C. - 5de eeuw n.C.) en opnieuw in het Rijk van Karel de Grote (768 - 814) werden grote delen van Europa onder één gezag verenigd. De ontbinding van het Karolingisch imperium, ingezet met het Verdrag van Verdun (843), luidde de feodaliteit in met haar totale verbrokkeling van grondgebied en van gezag. Uit dit kluwen van vorstendommen traden, duidelijk merkbaar vanaf de 13de eeuw, nationale staten op de voorgrond. In West-Europa gebeurde dit eerst in Frankrijk en Engeland, in de 15de eeuw in het Bourgondische statencomplex en op het einde van die eeuw in het Iberisch schiereiland. Duitsland (het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie) en Italië bleven verdeeld in een menigvoud van wereldlijke vorstendommen, prinsbisdommen, republieken en, niet te vergeten, de pauselijke Staat. Beide landen verwezenlijkten hun eenmaking pas in 1870-1871. Die van Duitsland had geleid tot de uitstoting van Oostenrijk, dat in latere tijd ook nog Hongarije kwijt speelde.

Ook in Centraal- en Oost-Europa kwamen eenheidsstaten tot ontwikkeling. In Polen geschiedde dit in de loop van de 15de eeuw, in Rusland in de latere 15de en begin 16de eeuw. Scandinavië komt in de 16de-17de eeuw in de greep van Zweden. De ontbinding van het Ottomaanse Rijk gaf in de 19de eeuw het ontstaan aan een reeks Balkanstaten. Revoluties leidden in 1640 tot de scheiding van Spanje en Portugal en in 1831 tot die van Nederland en België. Europa was al vroeg en bleef een lappendeken van nationale Staten.

Nog enkele keren werden grote delen van de Oude Wereld onder één gezag verenigd en wel in het Rijk van Karel V (1500-1555), het Napoleontische Rijk (begin 19de eeuw) en het Hitleriaanse Rijk (1939-1945). De beide laatstgenoemde waren het resultaat van gewelddadige veroveringstochten en bleken slechts van korte duur te zijn. Het Habsburgse Rijk was vooral het resultaat van huwelijkspolitiek en erfenissen. Bij de troonsafstand van keizer Karel werd het opgesplitst tussen Spaanse en Oostenrijkse Habsburgers, die beiden nadien aan verzwakking onderhevig waren.

Het moet hierbij worden beklemtoond dat het begrip nationale Staat werd vereenzelvigd met dynastieke Staat. Het ging helemaal niet om de Staat als territoriale en politieke structuur van een natie maar als het persoonlijk eigendom van een vorstenhuis en aan diens willekeur onderworpen. Uitzonderingen waren de Zwitserse Confederatie en de Republiek der Verenigde Provinciën, die in 1579 de facto en in 1648 de jure in het leven werd geroepen. Voor het overige kwamen de Europese Staten in de greep van het absolutisme, waarvan de gezagdragers werden gedreven door machtswellust, territoriale honger, betrachting tot herstel van het evenwicht. Wanneer dan ook nog een einde werd gesteld aan de godsdienstige eenheid werd het werelddeel van de vele nationale Staten ook het werelddeel van de vele internationale oorlogen, die aan een verbazingwekkend ritme in maar ook buiten ons continent werden uitgevochten. En dat met steeds meer geperfectioneerde wapens en steeds grotere aantallen manschappen.

Wanneer eerst in Engeland (einde 17de eeuw) en nadien op het vasteland het absolutisme in een aantal landen moest wijken voor constitutionele parlementaire (maar nog ver van democratische) regimes kon dat de oorlogszucht nauwelijks temperen. Ook de ideologieën die werden beleden door de katholieken (christelijke naastenliefde), de liberalen (vrede als waarborg voor economische expansie), de socialisten (internationale solidariteit van het proletariaat) konden het gewapend geweld niet indijken. Weliswaar kende West-Europa bijna een halve eeuw lang geen oorlogen maar 1871-1914 werd een periode van toenemende bewapening (door een aantal economische bonzen met welgevallen begroet) en vorming van bondgenootschappen (Triple Alliantie, Triple Entente). En in de Balkan en de koloniën werden de wapens wel degelijk gescherpt.

De beide wereldoorlogen (1914-1918 en 1939-1945) waren evenveel zelfmoordpogingen van Europa. Helemaal dood was ons werelddeel in 1945 niet maar wel zieltogend. De periode tussen de beide wereldoorlogen werd door de historici bestempeld als het failliet van de vrede. De vredesverdragen op zich zelve waren al tot faillissement gedoemde ondernemingen. Verder werd het de tijd van de zwakke democratische regimes, de economische crisissen met als grote uitschieter deze die werd ingeluid door de krach van Wallstreet en die zich over alle geïndustrialiseerde landen verspreidde. Het was vooral de tijd van de vestiging in vele landen van dictatoriale regimes. Voor deze van Italië en, vooral, Duitsland en Japan was de verovering van Lebensraum en het verzekeren van de politieke en militaire suprematie de leidraad in hun optreden. In deze conjonctuur kreeg de Volkenbond, in 1919 gestalte gegeven om mogelijke geschillen langs vredelievende weg op te lossen, geen schijn van een kans. De zogenoemde rechtse dictaturen profiteerden gretig van de argwaan, zo al niet schrik die de vestiging van de inderdaad niet geruststellende linkse of communistische dictatuur in Rusland, nadien de USSR, opriep.

Al speelden territoriale en economische overwegingen mee, toch was de Tweede Wereldoorlog in de eerste plaats een strijd tussen regimes, ideologieën waarbij voor de Westerse geallieerden de redding en het herstel van de democratische waarden de hoofdinzet was. Om het te zeggen met Eisenhower, hun opperbevelhebber: de Tweede Wereldoorlog was een kruistocht voor de mensenrechten. Hij werd door de Geallieerden gewonnen. Moeizaam. Ten koste van een enorme prijs, op de eerste plaats aan mensenlevens, vooral jonge mensenlevens. Europa was een puinhoop: politiek en militair voorbijgestreefd, economisch ontredderd en hulpeloos, sociaal een warboel, ethisch ontmoedigd, twijfelend, argwanend. Een massale puinhoop.

Tussen de beide wereldoorlogen

De eerste om een vorm van vereniging van Europese Staten te bepleiten is, althans in zoverre ons bekend, de Fransman Pierre Dubois geweest. En die deed dat in 1213, zodat mag worden getuigd dat de idee van een Europese interstatelijke samenwerking en verstandhouding al heel oud is. Na hem zijn nog heel vele denkers, schrijvers, diplomaten, juristen en noem maar op, met voorstellen voor de dag gekomen. Niet altijd waren ze daarbij even onbevooroordeeld. Dubois bij voorbeeld ontwierp zijn structuur omdat hij daarin een middel zag om de Franse koning een leidinggevende positie in Europa te verzekeren. In de loop van de eeuwen werden allerhande remedies voor de Europese oorlogskwaal voorgeschreven. De meeste gingen de richting uit van een internationale organisatie van soevereine Staten met een Raad voor onderzoek en bemiddeling en een Gerechtshof voor de veroordeling van degene die in de boosheid zou blijven volharden. Getuige van de escalatie van bewapening en dreigementen, waren er in het begin van de 20ste eeuw heel wat stemmen die het bestendigen van de vrede en de Europese verstandhouding bepleitten. Maar hun geluid was niet krachtig genoeg of werd niet eens aanhoord en in augustus 1914 brak de Grote Oorlog, later omgedoopt in Eerste Wereldoorlog, uit. Hij werd de verschrikkelijkste tot dan toe gevoerde oorlog.

"Er zal geen definitieve oplossing voor dit conflict gevonden worden, zo lang er geen Europese organisatie bestaat." Deze verwittiging dateert van 1917, midden de Grote Oorlog en ze is afkomstig van een niet-Europeaan, met name de Chileense jurist Alejandro Alvarez. De vredesverdragen en de oprichting van de Volkenbond boezemden niet iedereen vertrouwen in. De verschillen in mentaliteit, cultuur en betrachtingen werden te omvangrijk geacht om van een wereldorganisatie een concrete werkelijkheid te maken. Een cultuurpatroon met varianten maar toch in zijn grote lijnen een eenheid weerspiegelend, was er wel in Europa. En het was dit continent dat de hoofdinzet van het genadeloze conflict was geweest. Voor dit continent moesten oplossingen worden bedacht om een herhaling van de katastroof te voorkomen.

De man die bewogen werd door deze overwegingen en uitpakte met concrete ideeën als antwoord op de uitdaging was Richard Coudenhove-Kalergi (1895-1957). Hij was een lid van een Oostenrijks-Hongaarse adellijke familie. Zijn moeder was een Japanse. In 1922 pakte hij uit met een boodschap die hij verschillende Oostenrijkse en Duitse kranten toezond en waarin hij pleitte voor de oprichting van een Pan-Europese Unie. Onder de titel Paneuropa verscheen het jaar nadien van zijn hand een boek dat in verschillende landen en middens gunstig onthaald werd. De kernidee is te zoeken in de vaststelling: "Het zijn niet de volken die aan seniliteit lijden maar wel hun politiek systeem. De radicale transformatie van dat systeem kan en zal de genezing van dit continent bewerkstelligen."

Coudenhove-Kalergi had het systeem van de VSA als model voor ogen. Van de parlementen in de verschillende landen verwachtte hij de bereidheid om de afstand van een deel van de nationale soevereiniteit voor te bereiden. Om zijn ideeën te populariseren en te voorzien van een gestructureerde basis, althans in de elitaire middens, lanceerde hij in 1924 een tijdschrift en een beweging. Het eerste congres van de Paneuropese Unie had in 1924 plaats in het voormalig keizerlijk paleis in Wenen. Voorzitter was Mgr. Scipel, eerste-minister van Oostenrijk. Onder de deelnemers bevonden zich vooraanstaande figuren als Eduard Benès, toenmalig minister van Buitenlandse Zaken van Tsjechoslowakije, de sociaal-democraat Paul Loebe, voorzitter van de Duitse Rijksdag, de Franse minister van Financiën Joseph Caillaux en de Italiaanse politicus en oud-premier Francesco Nitti.

Document: Uittreksels uit het Paneuropees Manifest van Coudenhove-Kalergi, 1924 >>>

De vergaderingen van de Paneuropese Unie kregen meer en meer allure en een stijgend aantal prominenten uit heel wat landen namen er aan deel. Haar gedachtengoed liet ook het grote publiek niet onverschillig. Van verschillende kanten werd getracht concrete gestalte te geven aan de herhaalde oproepen. Zo werd reeds in 1926 de Europese Economische en Douane Unie opgericht. Het was een initiatief van een beperkt clubje van economisten en zakenlui, die niet verheulden dat ze ook een politieke unie voor ogen hadden. De verwezenlijking van hun programma leek hen te moeten geschieden door een beperkte elite en niet door een volksbeweging.

In 1927 werd in Genève de Federatie voor een Europese Entente opgericht als een federatie met nationale afdelingen. De Franse minister Louis Loucheur, die zijn 'Europese' gezindheid al vroeger had belijd, trachtte een aantal zakenlui en industriëlen uit verschillende landen, vooral uit Frankrijk en Duitsland, tot concretisering van de beoogde samenwerking en verstandhouding te bewegen. Het loont de moeite een van de ideeën te vermelden die hij in een boek heeft uiteengezet : de oprichting van Europese kartels voor steenkool, staal en graan, in te richten door de regeringen met het oog op het algemeen belang en niet exclusief op dat van de producenten … Schuman en Monnet zijn dus blijkbaar niet zo'n originele baanbrekers geweest, wat overigens in niets afdoet aan hun enorme verdiensten.

Einde van de jaren twintig bleek het klimaat bijzonder gunstig voor het nemen van Europeesgerichte initiatieven. Het meest verstrekkend kwam er in 1929 en had als auteur Aristide Briand, toendertijd Frans minister van Buitenlandse Zaken en kort nadien eerste-minister. Verwonderlijk was dat in feite niet vermits de man al enkele jaren voordien het erevoorzitterschap had aanvaard van de Paneuropese Unie. Waarover ging het? Noch min, noch meer dan om de oprichting van de Verenigde Staten van Europa! Briand contacteerde vooraf enkele collega's. Mussolini stelde onmogelijke voorwaarden, Macdonald bestempelde de idee als voorbarig, een diplomatieke term om niet te moeten bekennen dat Groot-Brittannië er radicaal vijandig tegenover stond. Maar de Duitser Gustav Stresemann verklaarde zich onomwonden voorstander. Briand peilde ook de Franse publieke opinie en putte hieruit verdere aanmoediging. Eerste-minister geworden, aarzelde hij niet zijn plan om de VSE te verwezenlijken op te nemen in de regeringsverklaring voor het parlement.

En dat plan officialiseerde hij als het ware in september 1929 in een toespraak tot de tiende Algemene Vergadering van de Volkenbond. Na afloop werd hij door de vertegenwoordigers van de 26 Europese staten gevraagd een memorandum op te stellen dat aan de onderscheiden regeringen zou worden voorgelegd. Tijdens de daaropvolgende dagen betuigden een aantal sprekers, waaronder 'zware kalibers' als Stresemann en Benes, hun belangstelling en sympathie. Het stilzwijgen van de Britse delegatie liet aan duidelijkheid niets te wensen over.

Op 1 mei 1930 werd het Memorandum over de organisatie van een systeem van Europese federale unie aan de regeringen bezorgd met verzoek hun antwoord uiterlijk op 15 juli in te dienen. Dat van Groot-Brittannië was negatief, dat van Zwitserland, Italië en de Scandinavische landen terughoudend en dat van de meeste andere landen voorzichtig aanmoedigend maar heel vaag. Er werd gedacht aan de mogelijke oprichting binnen de Volkenbond van een Europees regionaal agentschap en aan mogelijke economische akkoorden, dat alles zonder enige precisie. Tenzij om het integrale behoud van de nationale soevereiniteit te beklemtonen.

Document: Aristide Briand, Memorandum
over de organisatie van een Europese federale Unie , 1930 >>>

Gebrek aan precisie en dubbelzinnigheid zijn beslist niet vreemd aan het memorandum van Briand. Associatie, federale binding, volledig behoud van de soevereiniteit: hoe rijmt men dat alles met elkaar? Allicht heeft de auteur betracht de nodige voorzichtigheid aan de dag te leggen om zijn gehoor van regeringsvertegenwoordigers niet voor het hoofd te stoten. Belangrijk evenwel was het feit dat zo'n voorstel werd verdedigd door de afgevaardigde van een van Europa's toonaangevende staten.

Het bleef bij dat voorstel. Groot-Brittannië en andere landen wilden er niet van weten, omdat ze er voor Frankrijk een middel in zagen om in Europa nog meer leidinggevend te worden en omdat ze vreesden dat de verwezenlijking zou inhouden dat er toch wel iets van de nationale soevereiniteit zou moeten worden prijsgegeven. Vaagheid van de verklaringen en verscheidenheid in de benadering kenmerkten verder de bespreking van het memorandum, dat ook op de agenda van de 11de sessie van de Volkenbond werd ingeschreven. Toch werd beslist een Studiecommissie over de Europese eenheid in het leven te roepen. Deze commissie hield een tiental vergaderingen maar van meet af aan was het duidelijk dat ze tot mislukken was gedoemd. Nadat Briand in 1932 was overleden, werd ze opgedoekt.

Inmiddels was het klimaat voor détente en samenwerkingsideeën heel wat versomberd. De economische wereldcrisis en haar noodlottige nasleep dreven de staten naar groter nationalisme en dat deden in niet mindere mate het succes van Hitler in Duitsland en de toenemende arrogantie van de andere dictatoriale regimes. De Volkenbond was gedoemd om een roemloze dood te sterven. Frankrijk had in 1931 de economische crisis aangegrepen om een poging te doen om een Europees economisch plan door de regeringen te laten bestuderen maar stuitte daarbij op onverschilligheid. Elke staat verkoos op zijn manier de economische en sociale crisis te lijf te gaan.

Toch gaven de voorstanders van een federaal Europa de moed niet op. De in 1930 in Frankrijk opgerichte Europese Douane Unie bleef actief. Duidelijk bedoeld als afweermiddel tegen de arrogantie van nazi-Duitsland, werd in 1933 in Bazel de Europa Union opgericht. De regeringen hielden het been stijf maar dat verhinderde parlementariërs, zakenlui, industriëlen, geleerden en schrijvers niet om te blijven ijveren voor wat ze beschouwden als de enige redplank voor Europa. Het idee om binnen elk parlement een fractie van Europese unionisten te vormen leidde tot de stichting van de Europese Parlementaire Unie. Zelfs in Groot-Brittannië waren er 'bekeerlingen'. Beveridge gaf de stoot tot de oprichting van de Federal Union, die zich duidelijk uitsprak voor de onvoorwaardelijke toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot een Europese federatie en die ook in andere landen afdelingen had. Maar inmiddels schrijven we al 1938. Het zou niet lang meer duren vooraleer Adolf Hitler aantoonde dat Europa wel degelijk kon worden verenigd maar dan wel met bloed en schande.

Het directe voorspel : de weerstandsbewegingen

Een democratische Europese idee kon onderde bezetting niet langer meer in het openbaar worden beleden. Dan moest het maar gebeuren en gebeurde het ook in de rangen van de weerstandsbewegingen. Hierin waren mannen en vrouwen actief die louter dachten aan bevrijding en herstel van de vooroorlogse orde. Maar niet gering in aantal waren dezen die ervan overtuigd waren dat het verzet tegen de dictatuur en de bezetting internationaal moest worden gevoerd en dat de naoorlogse wereld onmogelijk een replica van de vooroorlogse zou kunnen zijn.

In een aantal sluikbladen van weerstandsbewegingen in verschillende landen wordt de Europese integratie vooropgesteld als het heilmiddel voor de toekomst. Het toonaangevende Franse Combat verkondigt onomwonden: "De Verenigde Staten van Europa zullen weldra de levende werkelijkheid zijn voor dewelke wij strijd voeren". Tot vijf maal toe komen vertegenwoordigers van weerstandsbewegingen uit een tiental landen, waaronder Duitsland, in 1944 en dus op een tijdstip dat de oorlogskans is gekeerd in het voordeel van de Geallieerden, clandestien bijeen in Genève. Ze stelden er onder meer een ontwerp van Verklaring op dat aan duidelijkheid niets te wensen overlaat.

Document: Ontwerp van Verklaring vanwege de weerstandsbewegingen, Genève 1944 >>>

Ten overstaan van de draagwijdte van een wereldoorlog worden de plannen voor een federale organisatie niet beperkt tot een enkel werelddeel. Maar wat Europa betreft worden concrete en verregaande verwezenlijkingen opgeëist:

- een federale grondwet ;

- een Europese regering die verantwoordelijk zal zijn voor de volken en die binnen haar bevoegdheden zal beschikken over rechtstreekse jurisdictie ;

- een gemeenschappelijk leger en de afschaffinng van nationale legers ;

- een opperste gerechtshof voor beslechting van eventuele geschillen.

De protagonisten van deze inmiddels in weerstandskringen ruim verspreidde gedachtengang wachtte een bittere ontgoocheling. Op de Conferentie van Yalta (februari 1945), een van de grote oorlogsconferenties, konden Roosevelt, Churchill en Stalin zich al heel wat meer bekommeren om de organisatie van de naoorlogse wereld dan om het behalen van de overwinning, die duidelijk in het vooruitzicht was gesteld. En die bekommernis bleek vrijwel uitsluitend uit te gaan naar de verdeling van de wereld in invloedzones. En al vlug na beëindiging van de vijandelijkheden bleek dat 'verdeling' moest worden gelijkgesteld met 'tegenstelling'. In Yalta werd ook de oprichting van de Organisatie van de Verenigde Naties, bedoeld als een verbeterde uitgave van de Volkenbond, op punt gesteld. De UNO kwam er daadwerkelijk in 1945 maar bleek alras in de ban te zijn van de vijf staten die in de Veiligheidsraad een permanente zetel kregen toegewezen en nog meer van de twee wereldmachten onder hen, die voortaan de plak zwaaiden.

In de lente van 1947 doen de VSA een genereus hoewel niet volledig onbaatzuchtig aanbod om het zieltogende Europa uit het slop te helpen, op voorwaarde dat over de verdeling en aanwending van de ter beschikking gestelde fondsen voor wederopbouw gemeenschappelijk wordt beslist. Zestien Europese landen gaan gretig in op het Marshallplan en gaan over tot de oprichting van de Europese Organisatie voor Economische Samenwerking die de verdeling van de fondsen moet regelen. De USSR weigert en dwingt zijn satellietstaten tot het innemen van een zelfde opstelling.

Hoe is het met dit alles gesteld met het voormalig toonaangevend Europa ? De vraag wordt met bezorgdheid opgeworpen, niet alleen nadrukkelijk door leden van de vroegere weerstandsbewegingen maar ook daarbuiten. Inmiddels werd reeds in september 1946 een duidelijk antwoord geformuleerd.

De Europese federalisten en het voorspel tot het congres van Den Haag

Op 19 september 1946 wordt Winston Churchill ontvangen door de universiteit van Zürich. Hij houdt er een toespraak die een balsem is op de wonden van de voorstanders van een Europese federale structuur en waarvan de slagwoorden zijn : "Wij moeten een soort van Verenigde Staten van Europa in het leven roepen …… De eerste stap moet bestaan in de oprichting van een Raad van Europa."

Document: Toespraak van Winston Churchill in Zürich,
16 september 1946 >>>

Churchill was beslist een van de meest gezaghebbende stemmen die men zich in die tijd kon indenken. Ook andere lieten zich horen, voornamelijk die van politici die tijdens het Hitlerregime waren gevangen gezet of verbannen geworden en van oud-weerstanders en bestrijders van de dictatuur. Spinelli, Brugmans en Frenay behoren tot dezen die op de voorgrond traden. Nog voor de Britse staatsman met zijn oproep een nieuwe start gaf aan de Europese beweging, hadden een aantal hunner, meestal afkomstig uit de kringen van de Federal Union, zich in Hertenstein gehergroepeerd. Na een nieuwe vergadering, ditmaal in Bazel, werd omstreeks het jaareinde van 1946 in Parijs een Europese Unie van Federalisten ten voorlopige titel opgericht. De gedelegeerden van de aangesloten bewegingen ontmoetten elkaar op 12 april 1947 in Amsterdam om er de uitbouw van een gestructureerde organisatie voor te bereiden. Die kwam tot stand op het eerste congres dat van 27 tot 31 augustus 1947 in Montreux werd gehouden en waarop de bedoelingen in niet mis te begrijpen woorden werden duidelijk gemaakt.

Document: Politieke motie van de
Europese Unie van Federalisten, Montreux 1947 >>>

Deze motie werd aangevuld met een duidelijk programma over de herinrichting van Europa en zijn staten en met een oproep tot het houden van de Staten-generaal van Europa. Deze oproep werd de rechtstreekse aanleiding tot het inrichten van de Conferentie van Den Haag.

Parallel met het gebeuren dat hierboven wordt verhaald werden andere initiatieven genomen. Richard Coudenhove-Kalergi blies de Europese Parlementaire Unie nieuw leven in die in september 1947 haar eerste naoorlogse bijeenkomst hield in Gstaad. In de aanvangsfase van datzelfde jaar werd in Londen het Internationaal Studie- en Actiecomité voor de Socialistische Staten van Europa boven de doopvont gehouden. De Labouraanhangers en andere Europese socialisten waren gevoelig voor de oproep van Churchill maar tevens bevreesd dat de Europese beweging louter de conservatieve koers zou varen. Na twee in Frankrijk gehouden congressen werd in november 1948 besloten tot een fundamentele wijziging van naam, structuur en gedeeltelijk ook van doelstellingen. Socialistische Beweging voor de Verenigde Staten van Europa werd de nieuwe benaming waaronder de organisatie zich aanmeldde, in afwachting dat ze zich nadien Links Europa zou gaan noemen. Ze kreeg een tegenhanger in de Nieuwe Internationale Ploegen, tot leven gebracht in juli 1947 en van christen-democratische origine.

Het was Churchill himself die in Londen wind in de zeilen blies van de United Europe Movement en het op 14 mei 1947 bedacht met een geladen toespraak waarin hij de ideeën van Zürich hernam en uitgebreid toelichtte. Ook dit initiatief mocht zich van meet af aan in een aanmoedigend nationaal en internationaal succes verheugen. Nog steeds in 1947 werd de Europese Liga voor Economische Samenwerking in het leven geroepen. Hierbij ging het om een vrij gesloten clubje dat zich voornam de problemen in verband met de mogelijke creatie van een Europese Unie aan een onderzoek te onderwerpen.

Het Congres van Den Haag, 7 - 10 mei 1948

Er was duidelijk van het goede te veel! Beducht voor de terechte opmerking dat dezen die in het gelid stonden voor een verenigd Europa het zelf onderling oneens waren, besloot de Europese Unie van Federalisten in samenwerking met de voornoemde organisaties tot de oprichting van een Internationaal Coördinatiecomité van de Bewegingen voor Europese Eenheid. Alleen de Europese Parlementaire Unie weigerde op de uitnodiging in te gaan, van oordeel dat haar structuur en werkzaamheden te specifiek waren om geïntegreerd te worden in een allesoverkoepelende organisatie. Dat de schijnbaar onmogelijke toenadering binnen de kortst mogelijke tijd werd verwezenlijkt, is in grote mate te danken geweest aan de inzet en het optreden van de Pool Joseph Retinger. Eens de betuigingen van akkoord in ontvangst genomen, besloot het Comité tot de inrichting van een reeks congressen. Voor de eerste uitgave viel de keuze op Den Haag.

Wat een succes! Ruim achthonderd deelnemers, meestal prominent en invloedrijk in eigen land, kwamen opdagen. Met een verwelkoming door prinses Juliana en een openingstoespraak van Winston Churchill werd de toon van ernst, voornaamheid en wilsbetrachting meteen gezet. Er werd gewerkt in drie commissies die respectievelijk de politieke, de economische en de culturele aspecten in ogenschouw namen en terzake voorstellen indienden. In de algemene besluiten werden alvast opgenomen de dringende noodzaak om een Europese stemgerechtigde vergadering van door de nationale parlementen aangeduide vertegenwoordigers bijeen te roepen, de vraag om een Europees charter van de mensenrechten op te stellen waarin een gerechtshof zou worden voorzien, het belang van een economische unie en de oprichting van een Europees Centrum voor Cultuur.

Document: Boodschap aan de Europeanen,
Congres van de Europese Beweging, Den Haag 1948 >>>

Groot was het enthousiame, zowel omwille van de concrete programmatie als omwille van de kwaliteit en representativiteit van dezen die erachter stonden. Wat niet kon verheuld worden, was het antagonisme dat zich nog maar eens openbaarde tussen de voorstanders van een snelle en ver doorgedreven federalisering en dezen die het bij samenwerkingsmogelijkheden tussen integraal soeverein gebleven nationale Staten wilden houden. Toch was het Congres van Den Haag een onverdeeld succes dat menige hoop deed koesteren. En dat in oktober 1948 uitmondde op de oprichting van de Europese Beweging die een globale aanpak met de vrijheid van handelen wilde verzoenen. Voorzitters waren Winston Churchill, Léon Blum, Paul-Henri Spaak en Alcide de Gasperi. Leden waren nationale raden, het bestuursorgaan een internationale Raad waarin de nationale raden waren vertegenwoordigd. Op de bijeenkomsten in Brussel in februari 1949 en in Westminster in april van hetzelfde jaar werd een overeenkomst bereikt tussen de conservatief en de socialistisch georiënteerde tendenzen en werd de oprichting aanbevolen van een Europese economische en sociale Raad. In december 1949 werd in Lausanne de Europese Conferentie voor Cultuur gehouden. Als denktank en drukkingsmiddel kwam de Europese Beweging aldus tegemoet aan de in haar gestelde verwachtingen.

Die verwachtingen werden beide geruggesteund en ontzenuwd door de oprichting op 5 mei 1949 van de Raad van Europa. Geruggesteund omdat een intergouvernementele Europese organisatie tot stand was gekomen, ontzenuwd omdat die organisatie geen federatieve of supranationale bevoegdheden en beslissingsrecht kreeg toegewezen maar zich zou moeten beperken tot een ontmoetings- en overlegorgaan. Tegen de drang naar het behoud van de nationale soevereiniteit bleek voorlopig en grotendeels nu nog niet op te roeien.

(Voorlopig) besluit

Dit kan zeer kort worden gehouden. De Europese Federalisten verheugen zich in het tot stand komen van de Raad van Europa en van de EGKS, Euromarkt en Euratom, nadien Europese Gemeenschap en vervolgens Europese Unie, en ze erkennen de draagkracht van deze baanbrekende en het internationale leven vernieuwende instellingen.

De Europese Federalisten begroeten met rechtmatige trots de optrek van het Europese gebouw maar zijn van oordeel dat dit gebouw, waarvan de grondvesten 50 jaar geleden werden gelegd, inmiddels veel groter, veel functioneler, veel bewoningsvriendelijker had kunnen en moeten zijn. Ze juichen met discreet handgeklap toe dat er sinds de verdragen van Maastricht (1992) en Amsterdam (1997) eindelijk werk wordt gemaakt van de verwezenlijking van een economisch-monetaire en van een politieke unie en laten dat handgeklap toenemen in volume met de goedgekeurde invoering van de Euro en de oprichting van de Centrale Bank (mei 1998), om het onmiddellijk daarna te laten luwen ten overstaan van het nationalistisch getouwtrek rondom de aanduiding van de voorzitter van die Bank.

Na 50 jaar (en meer) blijven de Europese Federalisten vragende partij!

Paul Morren (1998)