Geschiedenis

De Europese integratie
sinds 1950
een beknopt overzicht

De huidige Europese Unie is er gekomen dankzij de inspanningen en de concrete resultaten van mensen die zich hebben ingezet voor een verenigd Europa. Nergens ter wereld hebben soevereine landen hun soevereiniteit zozeer gebundeld op zoveel terreinen die voor hun inwoners van cruciaal belang zijn. Inmiddels beschikt de EU over een gemeenschappelijke munt en een dynamische interne markt met vrij verkeer van personen, diensten, goederen en kapitaal. Het is de bedoeling om, door middel van sociale vooruitgang en eerlijke concurrentie, te zorgen dat zo veel mogelijk mensen van deze interne markt kunnen profiteren.

De grondbeginselen van de Europese Unie zijn vastgelegd in een reeks verdragen:

*het Verdrag van Parijs, waarbij in 1951 de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) werd opgericht;
*de Verdragen van Rome, waarbij in 1957 de Europese Economische Gemeenschap (EEG) en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) werden opgericht.

Deze oprichtingsverdragen zijn vervolgens gewijzigd door:

*de Europese Akte (1986),
*het Verdrag betreffende de Europese Unie (Maastricht, 1992)
*het Verdrag van Amsterdam (1997) en
*het Verdrag van Nice (2001).


Deze verdragen hebben de lidstaten van de EU in juridisch opzicht zeer nauw met elkaar verbonden. De eigen wetgeving van de EU heeft rechtstreeks invloed op de Europese burgers en kent hun zeer specifieke rechten toe.

De eerste stap naar Europese integratie werd gezet toen zes landen (België, de Bondsrepubliek Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg en Nederland) een gemeenschappelijke markt voor kolen en staal opzetten. Het doel, zo kort na de Tweede Wereldoorlog, was om te zorgen voor vrede tussen de overwinnende en de overwonnen landen van Europa. Het ging erom dat de betrokken landen op voet van gelijkheid moesten gaan samenwerken binnen gezamenlijke instellingen.

Vervolgens besloten de zes lidstaten om te gaan werken aan een Europese Economische Gemeenschap (EEG), met een gemeenschappelijke markt voor allerlei goederen en diensten. Op 1 juli 1968 werden de douanerechten tussen de zes landen volledig afgeschaft. In de jaren zestig kwam ook een gemeenschappelijk beleid van de grond, met name op het gebied van handel en landbouw.

Dit werd zo'n succes dat Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk besloten om zich aan te sluiten bij de Gemeenschappen. Deze eerste uitbreiding, van zes naar negen leden, vond plaats in 1973. Tegelijkertijd namen de Gemeenschappen nieuwe taken op zich en kwam er een sociaal beleid, een regionaal beleid en een milieubeleid tot stand. Voor de uitvoering van het regionale beleid werd in 1975 het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) opgezet.

Begin jaren zeventig zagen de leiders van de lidstaten in dat het nodig was om hun economieën op elkaar af te stemmen en dat er uiteindelijk een monetaire unie zou moeten komen. Rond dezelfde tijd besloten de Verenigde Staten echter om de convertibiliteit van de dollar in goud op te heffen. Dat betekende het begin van een periode van grote monetaire instabiliteit in de wereld, die nog werd verergerd door de oliecrises van 1973 en 1979. De invoering van het Europees Monetair Stelsel (EMS) in 1979 hielp om de wisselkoersen te stabiliseren en stimuleerde de lidstaten tot het doorvoeren van bezuinigingen. Op die manier konden ze hun onderlinge solidariteit bewaren en hun economieën weer op orde brengen.

In 1981 trad Griekenland toe tot de Gemeenschappen, in 1986 gevolgd door Spanje en Portugal. Daarmee groeide de behoefte aan structuurprogramma's, zoals de eerste geïntegreerde mediterrane programma's (GMP), die de verschillen in economische ontwikkeling tussen de twaalf lidstaten moesten verkleinen.

Tegelijkertijd begon de EEG internationaal gezien een prominentere rol te spelen. Met landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (de ACS-landen) werd een aantal overeenkomsten gesloten over hulp en handel (Lomé I, II, III en IV, 1975-1989), die in juni 2000 uitmondden in de Overeenkomst van Cotonou. Als 's werelds eerste handelsmogendheid kan Europa zich via dergelijke instrumenten doen gelden op het internationale toneel. Uiteindelijk streeft de Europese Unie ernaar om te komen tot een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.

De wereldwijde economische recessie aan het begin van de jaren tachtig bracht een golf van 'europessimisme' teweeg. Maar er begon weer hoop te gloren toen de Europese Commissie, onder voorzitterschap van Jacques Delors, in 1985 een Witboek publiceerde met een stappenplan voor de voltooiing van de Europese interne markt op 1 januari 1993. Deze ambitieuze doelstelling vond bijval en werd opgenomen in de Europese Akte, die in februari 1986 werd ondertekend en op 1 juli 1987 in werking trad.

Het politieke landschap in Europa veranderde ingrijpend door de val van de Berlijnse Muur in 1989. Deze gebeurtenis leidde tot de hereniging van Duitsland op 3 oktober 1990 en tot de komst van democratie in de Midden- en Oost-Europese landen die zich uit de sovjetoverheersing hadden losgemaakt. De Sovjet-Unie zelf hield in december 1991 op te bestaan.

Intussen veranderden de Europese Gemeenschappen zelf ook. De lidstaten onderhandelden over een nieuw verdrag, dat in december 1991 in Maastricht door de Europese Raad (d.w.z. de staatshoofden en/of regeringsleiders) werd goedgekeurd. Dit 'Verdrag betreffende de Europese Unie' trad op 1 november 1993 in werking. Daarbij werd de EEG kortweg omgedoopt tot 'Europese Gemeenschap' (EG). Het bestaande communautaire systeem werd uitgebreid met intergouvernementele samenwerking op bepaalde terreinen, waardoor de Europese Unie (EU) een feit werd. Verder omvatte het verdrag nieuwe ambitieuze doelstellingen voor de lidstaten: monetaire unie in 1999, Europees burgerschap, nieuwe gemeenschappelijke beleidsterreinen, waaronder een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB), en afspraken over de interne veiligheid.

Naar aanleiding van deze nieuwe dynamiek en de geopolitieke veranderingen in Europa traden op 1 januari 1995 drie nieuwe landen toe tot de EU: Oostenrijk, Finland en Zweden. Met 15 leden ging de Europese Unie vervolgens aan de slag met het meest spectaculaire project tot nu toe: de vervanging van de nationale munteenheden door één Europese munt, de euro. Op 1 januari 2002 kwamen er in twaalf EU-landen (de 'eurozone') eurobiljetten en -munten in omloop. De euro is nu een wereldvaluta en doet niet onder voor de dollar.

Op de drempel van de 21e eeuw moeten de Europeanen samen het hoofd zien te bieden aan de uitdagingen van de globalisering. Revolutionaire nieuwe technologieën en de internetexplosie zorgen voor ingrijpende veranderingen in de wereldeconomie, die echter ook sociale en culturele ontwrichting met zich meebrengen.

Tijdens de Top van Lissabon in maart 2000 bereikte de Europese Raad overeenstemming over een brede strategie om de Europese economie te moderniseren en te zorgen dat Europa de concurrentie met de Verenigde Staten en de nieuwe geïndustrialiseerde landen aankan. Deze 'Strategie van Lissabon' houdt onder meer in dat alle economische sectoren moeten worden opengesteld voor concurrentie, dat innovatie en investeringen in het bedrijfsleven moeten worden aangemoedigd, en dat het onderwijs moet worden afgestemd op de behoeften van de informatiemaatschappij.

Tegelijkertijd staan de economieën van de lidstaten onder druk ten gevolge van zowel de werkloosheid als de oplopende pensioenkosten. Dat maakt hervormingen des te noodzakelijker. De kiezers beginnen bij hun regeringen steeds meer aan te dringen op praktische oplossingen voor deze problemen.

Terwijl de Europese Unie nog maar nauwelijks was uitgegroeid tot 15 lidstaten, stonden er alweer twaalf nieuwe landen voor de deur. Halverwege de jaren negentig ontving de EU toetredingsverzoeken van de voormalige Oostbloklanden (Bulgarije, Hongarije, Polen, Roemenië, Slowakije en Tsjechië), de drie Baltische staten die deel hadden uitgemaakt van de Sovjet-Unie (Estland, Letland en Litouwen), een van de republieken van het voormalige Joegoslavië (Slovenië) en twee landen in de Middellandse Zee (Cyprus en Malta).

De EU verwelkomde deze kans om meer stabiliteit te brengen op het Europese continent en om deze jonge democratieën te laten meeprofiteren van de Europese eenwording. De toetredingsonderhandelingen met de diverse kandidaat-lidstaten gingen van start in december 1997 in Luxemburg en in december 1999 in Helsinki. Daarmee begaf de Unie zich op weg naar de grootste uitbreiding in haar geschiedenis. Met tien van de kandidaat-lidstaten werden de onderhandelingen op 13 december 2002 in Kopenhagen afgesloten; zij traden in mei 2004 tot de EU toe. De Unie heeft thans 25 lidstaten en de komende jaren zullen er nog meer landen bijkomen.

Ruim een halve eeuw van integratie heeft een enorme impact gehad op de geschiedenis van Europa en op de mentaliteit van de bevolking. De regeringen van de lidstaten, ongeacht hun politieke kleur, beseffen dat de tijd van absolute nationale soevereiniteit voorbij is: alleen door hun krachten te bundelen en 'een voortaan gezamenlijke bestemming' (in de woorden van het EGKS-Verdrag) voor ogen te houden, kunnen de oude naties zich economisch en sociaal verder ontwikkelen en hun invloed in de wereld behouden.

Via het integratieproces is het gelukt om een einde te maken aan eeuwenoude vijandschap tussen landen in Europa. Het superioriteitsdenken en het gebruik van geweld om internationale geschillen op te lossen, hebben plaats gemaakt voor de 'communautaire methode' van samenwerking. Deze methode, waarbij wordt gezocht naar evenwicht tussen nationale belangen en het bredere algemene belang, en waarbij de verschillen tussen landen worden gerespecteerd maar tegelijkertijd een Europese identiteit wordt gevormd, heeft nog niets aan waarde ingeboet. Dankzij deze methode konden de democratische, vrijheidslievende landen gedurende de hele koude oorlog een eenheid blijven vormen. Het einde van de tegenstellingen tussen Oost en West en de politieke en economische hereniging van het continent zijn een overwinning van de Europese gedachte. En precies aan die Europese gedachte hebben de Europese volkeren nu meer dan ooit behoefte.